Hoofdstuk 3

Terwijl ik onopvallend, maar snel door de gangen van het ziekenhuis liep op weg naar de uitgang, ratelden de beelden van Spilzinski als een verknipte film door mijn hoofd. Ik zag hem tegenover me zitten in de trein; zijn radeloos omhooggestoken armen temidden van het groepje messtekende jongeren, zijn wanhopige blik die vanaf de brancard op mij gericht was en zijn smekende gezicht bij zijn laatste woorden, tragisch stervend in zijn ziekenhuisbed: “Alsjeblieft. Geef het haar, stort op nummer Russische bank.”

Ik zou een monster zijn als ik daar geen gehoor aan gaf. Al mijn zorgen ten spijt voelde ik mij bijna als een medeplichtige aan zijn dood. De laatste vierentwintig uur van mijn leven waren verschrikkelijk geweest. Met als ‘grande finale’ de diepe vernedering door mijn voormalige geliefde. Godzijdank, daar was de hoofduitgang.

Ik snoof de frisse buitenlucht op en voelde me door alle gedachten ineens gelouterd. Ik zou zijn laatste wil mogelijk maken! Al zou ik zelf het leven erbij laten! Een opdoemend beeld van mijn moeder en zus luid snikkend aan mijn graf bracht me bijna aan het huilen, maar ik duwde dat walgelijke tafereel weg. Ik haatte mijn smerige zelfmedelijden! Genoeg! Het was genoeg geweest! Later, als dit was opgelost, zou ik contact met ze opnemen. Vrij van schuld, nog armer dan ik al was maar met een schoon geweten.

Op het parkeerterrein aangekomen liep ik snel naar de DS, opende het portier en stak de sleutel in het contact. Met een klap gooide ik het portier weer dicht. Het gaf een gevoel van opluchting. Ik wilde niet nog meer vuiligheid op mijn geweten. Bovendien mijn woede over Thoms gedrag was eindelijk gezakt. Ik wilde hem niet nog meer schade toebrengen. Thom zou zijn geliefde auto hier gemakkelijk vinden, maar ik had nu even heel andere prioriteiten. Alleen, hoe kwam ik hier weg? Het was lopend vast wel een half uur naar het centrum. Ik dacht aan het briefje met de zin en het nummer. Het was dus een rekeningnummer bij de Russische Bank. Ik pijnigde mijn hersens, maar er kwam geen beeld bij me op. Waar was die bank?

Juist op dat moment kwam er aan de rand van het parkeerterrein een bus voorgereden. Ik rende erop af en sprong er in. Net op tijd, want ik werd bijna geschept door een auto. Het was een rode taxi. Ik dook meteen op de grond, omklemde de hengels van de plastic tas met het geld. Pas toen de chauffeur van de bus begon te rijden kwam ik voorzichtig omhoog.

‘Jij hebt wel een hele rare manier van zwartrijden, dame!’ lachte hij.

‘Losse veter,’ grijnsde ik terug.

Afwezig liet ik mijn buskaart afstempelen, ondertussen razendsnel mijn plan makend.

In het centrum stapte ik uit en spoedde ik me naar het eerste het beste internetcafé. Al gauw vond ik de Amsterdam Trade Bank N.V., de enige Russische bank die een kantoor in Nederland had. Om half zes ging die bank dicht en het was nu kwart over vijf. De gracht waar hij gevestigd was, lag niet ver van het café. Ik besloot de gok te wagen en rende zo snel mogelijk de straat in, sloeg een hoek om en belandde op de gracht waar ik zijn moest. Even dacht ik dat ik iets vreemds zag, een schim achter een boom aan de overkant van de gracht, maar ik riep mezelf tot de orde. Niemand kon weten dat ik hier liep. Niemand wist iets van wat Spilzinski op zijn sterfbed gezegd zou kunnen hebben. Ik was de enige getuige. De enige die wist van het briefje.

Het was rustig in de bank. Een zwaar opgemaakte vrouw zat gapend achter de informatiebalie. Ik vroeg haar of ik geld kon storten. Lui wees ze met haar hand naar een loket, waar op een wankel bordje in een losse houder twee regels geschreven stonden: in het Engels en in het Russisch: Cash and Deposit. Ik wees naar het bordje en vroeg de man achter het loket of hij Nederlands sprak. Hij knikte. Ik zei dat ik een bedrag wilde storten op naam van Julia Spilzinski, uit Amersfoort. Hij vroeg me het nummer. Ik las het op van mijn briefje. De man had de gegevens kennelijk gevonden in zijn computer, want hij vroeg mij het bedrag dat ik wilde storten te noemen. Ik legde de plastic tas op de toonbank en haalde de stapeltjes bankbiljetten er uit. Eén klein stapeltje liet ik zitten. Dat zou ik hard nodig hebben de komende dagen. De man telde het geld, vroeg of ik even kon wachten en sloot het loket. Even later kwam hij terug met een kleine dikke man, die me vriendelijk verzocht om mijn paspoort of rijbewijs. Ik schrok, begon te blozen en stotterde dat ik die niet bij me had. Razendsnel bedacht ik dat dit geld gespaard was in een oude sok door een grootmoeder voor haar kleinkind met wie ze geen contact mocht hebben. Dat die grootmoeder mij op haar sterfbed dringend had gevraagd om dit bij deze bank te brengen. Dat ik haar thuishulp was, die maanden voor haar had gezorgd. De kleine, dikke man keek mij aan, secondenlang. Toen liep hij weg en zei iets in het Russisch tegen de man die mij geholpen had aan het loket. Die deed het geld in een lade en overhandigde mij een stortingsbewijs. Ik bedankte hem vriendelijk, draaide mij om en liep zo kalm mogelijk weg. Het was gelukt! De portier opende de zware deur en sloot die achter mij. Ik was de laatste klant.

Licht en gelukkig danste ik over straat. Ik was bevrijd van een zware last. Mijn zelfrespect was gered. En dat ene stapeltje zou ik later wel vergoeden. In gedachten liep ik de gracht af. Waar moest ik heen? Naar huis durfde ik niet. En toen, ineens, wist ik het: Amersfoort. Ik moest naar Amersfoort.

De intercity naar Amersfoort zat vol vrouwen die behangen met plastic tassen terugkwamen van de uitverkoop. Ik plofte neer op de laatste vrije stoel van de coupe, naast een man met een warrig kapsel en een quasi-verlegen oogopslag. Hij deed me denken aan een jongere versie van Thom en ik vervloekte de kriebel in mijn buik die me opeens overviel. Ik was me akelig bewust van de zweetplekken onder mijn oksels en de modder op mijn spijkerbroek. Gelukkig was de man te verdiept in zijn iPhone om aandacht aan mij te besteden. Ik pakte mijn mobieltje en belde het inlichtingennummer van KPN.

‘Spilzinski?’ herhaalde het meisje aan de andere kant van de lijn. ‘Amersfoort? Welk adres?’

‘Geen idee,’ zei ik, ‘maar zoveel Spilzinski’s zitten er vast niet in uw bestand.’

Dat bleek te kloppen. Het was er zelfs maar één. Met de balpen die ik op het station had gekocht, noteerde ik het telefoonnummer op de rug van mijn hand. Zou het Julia zijn? Het kon haast niet anders. Tenzij ze een geheim nummer had natuurlijk.

‘Heeft u ook een adres?’

‘Dat mogen we niet geven.’

Die stomme regels ook altijd. Alsof ik om haar banksaldo had gevraagd. Ik verbrak de verbinding.

‘Zoek je een adres?’ Zijn stem klonk schuchter. Verrast keek ik opzij.

‘Je hebt van die sites waar je een adres bij een telefoonnummer kunt vinden.’

‘Ik heb geen mobiel internet.’ Met een laconiek gebaar stak ik mijn telefoon omhoog, een goedkoop model waar je uitsluitend mee kon bellen en sms’en. Meer heb jij niet nodig, zei Thom altijd.

‘Ik kan je wel helpen.’

‘Graag.’ Ik liet het nummer op mijn hand zien en betreurde de zwarte rouwranden onder mijn nagels. Mijn behulpzame buurman opende zijn mobiele internet en binnen enkele seconden wist ik waar de enige Spilzinsky van Amersfoort woonde.

‘Dat is in Vathorst,’ zei de man. ‘Een nieuwbouwwijk met een eigen station. Je kunt het beste overstappen op de stoptrein naar Zwolle. Dat is sneller dan de bus.’

Ik bedankte hem omstandig maar mijn woorden gingen verloren omdat de conducteur precies op dat moment de nadering van station Amersfoort Centraal aankondigde. Ik stond op en liep alvast naar de deur. De man volgde mij. Bij het uitstappen drukte hij met een verlegen glimlach een visitekaartje in mijn hand. ‘Als je nog eens een adres zoekt mag je altijd bellen.’

‘Dank je wel.’ Ongezien stopte ik het kaartje in de zak van mijn spijkerbroek. Pas in de stoptrein haalde ik het weer tevoorschijn. Job van Zanten, heette hij, fotograaf van beroep en woonachtig in Amersfoort. Zachtjes fluisterde ik zijn naam.

Julia Spilzinki woonde in een namaakgrachtenpand midden in de polder. De rij huizen was nog maar net opgeleverd en de gracht werd omringd door een troosteloze zandvlakte. Vertwijfeld staarde ik naar het naambordje naast de deur. Daar stond haar naam in strakke witte letters op een zwarte ondergrond, temidden van vier andere namen. De namen Joris en Lianne stonden bovenaan, de namen Emma en Bas volgden na Julia. Alles wees erop dat Julia de oudste dochter van het gezin was en dat Joris en Lianne haar ouders waren. Maar haar vader heette toch Victor? Misschien zijn ze gescheiden, dacht ik, met mijn vingers aarzelend boven de deurbel. Dan is Joris haar stiefvader. Een stiefvader met dezelfde achternaam als haar echte vader. Misschien is het wel een neef of zelfs een broer.

Ik drukte op de knop en vroeg me af wat ik zou zeggen. Onbewust was ik ervan uitgegaan dat Julia een volwassen vrouw zou zijn. De wetenschap dat ze misschien nog maar een kind was, maakte het extra aangrijpend. Straks moest ik een meisje van vijf vertellen dat haar vader dood was. In de gang klonk het geluid van voetstappen. De deur werd opengedaan door een vrouw van middelbare leeftijd in een kleurige zomerjurk. Met haar korte asblonde haar en onberispelijke make-up zag ze er verzorgd uit, maar haar ogen stonden vermoeid, alsof ze een paar nachten niet geslapen had.

‘Bent u de moeder van Julia?’

De vrouw schrok zichtbaar. ‘Bent u van de politie?’

Hoe kwam ze daar nou bij? ‘Nee, ik ben Suzanne. Ik heb een boodschap voor uw dochter. Ik neem tenminste aan dat het uw dochter is. U bent toch Lianne Spilzinski?’

‘Dat klopt. En wie ben jij? Een vriendin van Julia?’

Ik knikte opgelucht. Dat haar moeder me aanzag voor een vriendin betekende dat Julia waarschijnlijk iemand van mijn eigen leeftijd was.

‘Ik was toevallig in de buurt en wil haar graag even spreken. Is ze thuis?’

Lianne Spilzinski schudde haar hoofd. ‘Julia komt alleen in het weekend naar huis. Ze studeert in Groningen en woont daar op kamers. Maar dat weet je ongetwijfeld. Lust je misschien een kopje thee?’

Na een korte aarzeling volgde ik haar door de gang en de keuken naar de tuin. Achter het huis bevond zich een flink terras met teakhouten tuinmeubelen en een grote witte parasol. De rest van de tuin was een woestenij van brandnetels en klaprozen. Zodra we zaten keek Lianne me indringend aan.

‘Heb jij de afgelopen week nog contact gehad met Julia?’

Die hoop in haar stem, ik werd er koud van.

‘Ik ben vreselijk ongerust. Ze zou gaan kamperen op Schiermonnikoog met een stel vrienden, maar ze heeft nog niet een keer gebeld. Dat is niets voor haar. Als ik zelf bel krijg ik haar voicemail. Ik ben bang dat er iets is gebeurd. Als jij meer weet, zeg het me alsjeblieft.’

Op dat moment besloot ik haar de waarheid te vertellen.

‘Ik ken Julia helemaal niet. Ik heb alleen een boodschap voor haar van haar vader.’

Lianne keek me niet begrijpend aan. ‘Haar vader? Joris is aan het zeilen met de tweeling. Ze komen rond half tien thuis.’

‘Ik bedoel haar biologische vader. Victor.’

Een fractie van een seconde zag ik het in haar ogen. Angst. Daarna had ze zichzelf weer onder controle. ‘Joris is haar biologische vader,’ zei ze, met de klemtoon op is.

Voor mijn dochter. Omdat de waarheid alle leugens vernietigt. Na de reactie van Lianne kwamen de woorden automatisch in mij op. Het was duidelijk dat ze niet de waarheid sprak. Ik zag het aan haar, voelde het aan de stilte die tussen ons in bleef hangen.

‘Dan snap ik er helemaal niets meer van,’ probeerde ik.

‘Dus jij hebt Julia ook niet meer gezien?’ Lianne ging verder alsof ze me niet gehoord had. Alsof ik niet zojuist een bom had laten ontploffen door de naam van Victor Spilzinski te laten vallen.

‘Nee, maar zoals ik je net al zei ken ik Julia dus helemaal niet.’

Lianne opende haar mond om wat te zeggen, maar sloot hem weer toen er vanuit het huis stemmen klonken. Vrolijke, jonge stemmen riepen dat ze weer thuis waren. Lianne stond op en twee kinderen liepen de tuin in. Dit moesten Emma en Bas zijn. Het leken twee doodnormale tieners van een jaar of zestien. Achter hen aan kwam een man van middelbare leeftijd.

‘Hé, zijn jullie er alweer?’ vroeg Lianne verrast. Ze was zo te zien opgelucht dat het gesprek tussen ons verstoord werd.

‘Ja,’ antwoordde Joris en gaf haar een kus. ‘Er werd gewaarschuwd voor windkracht zes, dus we zijn maar zo verstandig geweest terug te gaan naar de haven.’ ‘Sorry,’ ging hij verder en stak zijn hand naar me uit. ‘Joris Spilzinsky’.

‘Suzanne Vermeer,’ reageerde ik en schudde zijn hand. Ik probeerde een gelijkenis te vinden met Victor, maar die was er eenvoudigweg niet. Geen lang gezicht, geen grotesk lichaam, geen abnormaliteiten. Het enige dat deze man opvallend maakte was, dat hij aantrekkelijk was. Blond haar en flink gebruind. Mooie man kust vrouw hallo, kinderen zijn vriendelijk en blij, niemand die te dik is, te klein of te groot. Zo met zijn vieren bij elkaar leken ze één van die modelgezinnen uit de zoveelste televisiereclame, wat dan wel weer paste bij de nieuwbouwwijk waarin ze woonden. Maar ik wist dat, zoals ze zeiden ‘elk huisje zijn kruisje’ had. Wat zou dat van hen zijn? En hoe zou Julia in dit gezin passen?

‘Suzanne wilde net gaan,’ sprak Lianne tegen Joris.

Verbouwereerd keek ik haar aan. Ik had kennelijk echt een gevoelige snaar geraakt en Lianne wilde me overduidelijk niet de kans geven om uit te vinden hoe de vork in de steel zat.

‘Ik loop even met je mee.’ Een zacht duwtje in mijn rug maakte het onmogelijk om verandering aan te brengen in de situatie.

‘Tot ziens,’ zei ik maar tegen de rest en liet me het huis in dirigeren. Ik had nog een paar stappen om de situatie weer onder controle te krijgen. Bij de voordeur pakte ik Lianne bij haar arm. ‘Lianne, ik weet dat je net tegen me loog.’ Ik keek haar doodringend aan. ‘Ik weet dat Victor de biologische vader is van Julia. Victor is dood, hij is vermoord.’ Wéér die blik in haar ogen, vol van angst. ‘Je zegt zelf dat Julia de afgelopen week helemaal geen contact heeft opgenomen. Het kan goed zijn dat zij ook in gevaar is. Ik heb haar vader een belofte gemaakt en daar ga ik mij aan houden. In het belang van Julia. Dus ik ga haar vinden en je kunt me helpen of tegenwerken.’ Gespannen keek ik haar aan.

Ze wierp een vluchtige blik richting de woonkamer, maar Joris en de kinderen zaten in de tuin. ‘Niet hier. Ken je Grand Café Hemels?’ fluisterde ze me toe.

‘Nee, maar dat vind ik wel uit.’

‘Zorg dat je daar morgenvroeg om elf uur bent, dan kunnen we praten.’

‘Oké, ik zal er zijn,’ antwoordde ik. Het was tenminste een begin. ‘Bedankt,’ voegde ik eraan toe en verliet het huis.

Buiten besloot ik maar vast richting het centrum te gaan. Ik zou een hotel kunnen zoeken en tegelijkertijd nieuwe kleren kunnen kopen, want ik zag er nog steeds niet uit. Al lopend checkte in mijn mobiele telefoon. Acht oproepen gemist, vermeldde het display. Er waren ook enkele berichten ingesproken. De eerste twee boodschappen maakten me somber. In mijn telefoon klonk de verzwakte stem van mijn moeder, die zich afvroeg waar ik toch was. De volgende was van mijn zus die me duidelijk maakte, dat ik het niet kon maken zomaar bij mijn moeder weg te blijven en niets van me te laten horen. De derde voicemail was van Thom. Hij was zo te horen woedend over wat ik hem geflikt had. Thoms bericht bestond voor driekwart uit gevloek en getier, maar hij had ook nieuws. Hij vertelde dat Victor Spilzinsky over twee dagen begraven zou worden op Zorgvlied. Er had zich nog steeds geen familie gemeld. Hij moest eens weten! Ik was blij dat ik hem niets over het papiertje en Julia verteld had.

Door het horen van Thom was ik me opeens weer bewust van het visitekaartje in mijn broekzak. Ik haalde het eruit en bekeek het nog eens. Job van Zanten. Ik toetste het nummer in en de telefoon ging over.

‘Met Job.’

Mijn hart sloeg even over. Zomaar een wildvreemde bellen, leek ineens een absurd plan. Een beetje onvast vertelde ik dat ik de Suzanne was uit de trein, die hij had geholpen met een adres. ‘Je had me gezegd dat ik je altijd mocht bellen als ik nog eens een adres zocht.’

‘Goh, leuk dat je belt!’ Job klonk geamuseerd.

‘Nou, ik zoek een hotel hier in de buurt. Kun je me er één aanraden?’ ‘Waar ben je nu?’ vroeg Job.

‘Ergens in Vathorst, even kijken hoe de straat heet… de Darthuizerberg. Voor me zie ik iets van een eetgelegenheid, De Boengerd.’

‘Oké, wacht daar, ik woon daar niet zo ver vandaan. Ik kom naar je toe en dan gaan we samen op zoek naar een hotel. Enne’ …hij wachtte heel even voor hij verder ging…’een hapje eten als je dat leuk vindt.’

Ik stemde toe en voelde me gelijk een heel stuk beter.

‘Dus jij denkt dat Lianne tegen iedereen heeft verzwegen wie de biologische vader van Julia is?

‘Dat moet haast wel. Waarom raakte ze anders zo in paniek toen ik Victors naam noemde?’

Job nam een slokje espresso en keek me peinzend aan. Ik vermeed zijn blik en liet mijn ogen over het met druivenranken beschilderde plafond dwalen. We waren beland in een pizzeria in de binnenstad van Amersfoort. Vlak voor sluitingstijd – gelukkig was het koopavond – was ik nog snel even de H&M binnengerend en had ik lukraak wat kleren uit de rekken geplukt. Mijn skinny jeans was aan de krappe kant en na de tagliatelle al salmone moest ik het knoopje openzetten.

‘Waarschijnlijk heb je gelijk,’ zei Job. ‘Wat een verhaal. Kun je niet beter naar de politie gaan?’

Ik zuchtte. Die conclusie had ik zelf ook getrokken. Stel dat Julia iets overkwam, omdat ik al die tijd had gezwegen. Dat zou ik mezelf nooit vergeven. Ik graaide in mijn tas tot ik mijn mobieltje had gevonden. Vertwijfeld staarde ik naar het donkere scherm. Batterij leeg. Grijnzend schoof Job zijn iPhone naar mij toe. Terwijl ik Thoms nummer intikte en zijn voicemail insprak, merkte ik dat Job zat mee te luisteren.?Eigenlijk was ik helemaal niet van plan geweest om hem het hele verhaal te vertellen. Hoe wist ik dat ik hem kon vertrouwen? Maar naarmate de maaltijd vorderde viel ons gesprek steeds vaker stil. ‘Is er iets?’ had Job gevraagd, ergens halverwege de tiramisu. In een opwelling had ik alles eruit gegooid. Sindsdien keek Job naar me alsof ik een tijdbom was die elk moment kon afgaan.

‘Suzanne,’ zei Job toen we even later buiten stonden en in zijn stem klonk een lichte aarzeling. ‘Ik wil je niets opdringen, maar als je wilt kun je bij mij thuis in de logeerkamer slapen. Dat bespaart je de kosten van een hotel. Dan kun je ook gelijk je mobieltje opladen. Ik heb vast nog wel een lader die past.’

Daar had ik stiekem al op gerekend. In een oogwenk zat ik bij Job achterop de fiets, mijn linkerarm losjes om zijn middel geslagen. Een zwoele wind blies in mijn gezicht. Ik sloot mijn ogen en leunde met mijn hoofd tegen zijn rug. Het voelde veilig en vertrouwd en ik had zo de hele nacht wel door willen fietsen. Veel te snel minderde Job vaart en stonden we voor zijn huis, een witte blokkendoos met een grote glazen pui. Nog geen kwartier later lag ik tussen de knisperend schone lakens van de logeerkamer. Als Job zegt dat je in de logeerkamer mag slapen, dan bedoelt hij ook de logeerkamer, dacht ik cynisch voor ik in slaap viel.

De volgende ochtend werd ik pas na tienen wakker. Na een haastig ontbijt met thee en een beschuitje gingen we de deur uit. Job had een klus en was bereid me onderweg ergens in de binnenstad af te zetten. Zijn auto, een gloednieuwe Prius, stond pal voor de deur geparkeerd. Net toen we wilden instappen, kwam hij aanlopen. Mijn adem stokte in mijn keel.

‘Thom,’ riep ik, ‘wat doe jij hier?’

‘Je had me gebeld,’ zei Thom, ‘met een onbekende telefoon.’

Hij klonk beheerst, maar er lag een grimmige trek rond zijn mondhoeken. Waarom had ik niet gewoon vanuit een telefooncel gebeld? Dan had hij ons nooit kunnen vinden. Ik seinde naar Job dat hij alvast in moest stappen. Gelukkig begreep hij de hint.

‘Wie is die vent?’ vroeg Thom zodra het portier in het slot was gevallen.

‘Ben je jaloers ofzo? Ik had je gevraagd om me terug te bellen. Niet om me te bespioneren. Heb je hier soms de hele nacht voor de deur staan posten?’

Thom haalde diep adem. ‘Suzanne, ik weet niet wanneer het eindelijk tot je botte hersens doordringt, maar je leven is in gevaar. Dit is niet echt een gelukkig moment om een nieuwe relatie te beginnen. Hoe kan ik je beschermen als je er telkens vandoor gaat?’

Jaloers was hij niet. Hooguit overbezorgd. Ik slikte even.

Thom sloeg een arm om me heen. ‘Kom Suus, ik breng je naar een plek waar je veilig bent.’

Dat zelfvoldane toontje gaf de doorslag. Ik rukte me los en vluchtte de auto in. Mijn wangen gloeiden. Zwijgend reden we de straat uit. Pas toen Thom uit het zicht van de achteruitkijkspiegel verdwenen was, besefte ik dat ik helemaal vergeten was hem over Julia te vertellen.

Om kwart over elf rende ik hijgend Grand Café Hemels binnen. Spiedend keek ik om me heen. Lianne was nergens te bekennen. Ik zocht een tafeltje en bestelde een cappuccino. Met mijn opgeladen mobieltje belde ik het nummer van haar huis.

‘Met Lianne Spilzinsky.’

‘Met Suzanne, ik…’

‘Oh Suzanne, wat fijn dat je belt,’ viel ze me in de rede. ‘Het spijt me ontzettend. Ik wilde onze afspraak afzeggen, maar ik had je telefoonnummer niet.’?Ze klonk niet bepaald of ze ergens spijt van had. Eerder of ze de hoofdprijs van een loterij had gewonnen.?‘Julia is terecht. Ze belde gisteravond. Ze zit in Las Vegas en is daar in het diepste geheim getrouwd met haar vriend. Een hele verrassing, nietwaar? Er staat zelfs een advertentie in de Volkskrant.’

‘Wanneer komt ze terug?’

‘Dat kan nog wel even duren. Ze gaan eerst op huwelijksreis. De Grand Canyon, Santa Fé, Monument Valley…’

‘En onze afspraak?’

‘Luister Suzanne, ik denk niet dat wij verder nog iets te bespreken hebben. En ik zou het erg op prijs stellen als je ons gezin voortaan met rust laat.’?Ze verbrak de verbinding.

Verbouwereerd staarde ik naar mijn mobieltje. Mijn hoofd duizelde. Julia was terecht. Getrouwd in Las Vegas. Geen wonder dat Lianne geen behoefte had aan een gesprek. Voorlopig was haar geheim veilig. Ik pakte de Volkskrant uit het rek en bladerde naar de pagina met familieberichten. De advertentie stond helemaal bovenaan. Las Vegas 14 juli 2010, getrouwd, Julia Spilzinsky en David de Vries.?Ze was getrouwd op de dag dat haar vader werd vermoord.

Ik besloot terug te gaan naar Amsterdam. Opnieuw een nacht doorbrengen in de logeerkamer van Job leek me geen optie. Nog geen uur geleden had hij me innig gedag gekust en gezegd dat ik altijd mocht bellen, maar de opluchting in zijn ogen was onmiskenbaar geweest. Opluchting dat hij van me af was en dat hij terug kon gaan naar zijn veilige wereldje met zijn Toyota Prius voor de deur en zijn ongetwijfeld lucratieve opdrachten. Dat was de prijs die ik betaald had voor mijn openhartigheid.?In Amersfoort had ik niets meer te zoeken nu mijn zoektocht naar Julia voortijdig was vastgelopen. Even overwoog ik naar Vathorst te gaan en Lianne thuis op te zoeken, maar wat schoot ik ermee op? Ieder mens had recht op zijn geheimen. Ik was er niet op uit om haar te chanteren. Ik wilde alleen haar dochter spreken en dat zou voorlopig niet lukken, tenzij ik naar Las Vegas vloog.

Onderweg naar het station belde ik mijn moeder. Teruggaan naar mijn eigen appartement durfde ik niet en ik peinsde er niet over om een beroep te doen op Thom. Door onder te duiken bij mijn moeder en mijn zus kon ik gelijk een beetje goedmaken dat ik gisteren niets van me had laten horen. Laura nam op. Zodra ze mijn stem hoorde barstte ze los in een enorme klaagzang, maar toen ik zei dat ik zou komen logeren bond ze in.

Terwijl ik verder liep flitsten de woorden van Thom door mijn hoofd. Je leven is in gevaar. Nu pas drongen ze echt tot me door. Bedoelde hij dat de moordenaars van Victor Splilzinsky nog steeds achter me aan zaten? Ze wisten natuurlijk niet dat er bij mij niets meer te halen viel. Dat het geld allang veilig op een bankrekening stond. Ik moet me vermommen, schoot het door me heen. Voor de zoveelste keer vervloekte ik mijn wilde krullenbos. Een paar meter voor me liep een meisje met een roze hoofddoek. Ze deed me denken aan Latifa, mijn Marokkaanse vriendin van de middelbare school. Die had een hoofddoek in precies dezelfde kleur. Ze had me zelfs geleerd hoe ik hem om moest knopen, toen ze tijdens de gymles haar pols had gebroken en een hand tekort kwam. Plotseling wist ik wat me te doen stond. Bij de V&D kocht ik een grote zwarte sjaal en een lange wijde blouse.?Vermomd als moslima stapte ik de trein in.

De terugweg verliep zonder incidenten. In de trein schonk niemand enige aandacht aan mij. Ook op station Amsterdam Centraal ging ik probleemloos op in de massa. Alleen de man achter het loket van het Grens Wissel Kantoor keek me scherp aan toen ik het stapeltje Russische bankbiljetten overhandigde. Ik had het inwisselen zo lang mogelijk uitgesteld, maar nu moest ik wel. Mijn portemonnee was zo goed als leeg en pinnen zou pas weer lukken als mijn salaris was gestort. Ik had de biljetten niet geteld en omdat ik me nooit had verdiept in de wisselkoers van de roebel, had ik geen flauw idee hoeveel ze waard waren. Tot mijn verrassing kreeg ik een flinke stapel bankbiljetten terug. Ik kon me niet herinneren dat ik ooit eerder een briefje van honderd euro in handen had gehad en dit waren er maarliefst negentien. Negentienhonderd euro plus wat kleingeld. Ik voelde me plotseling rijk en moest mijn best doen mijn opwinding te verbergen. Zorgvuldig borg ik het geld weg in mijn portemonnee.

Ik nam de tram en stapte uit bij het Concertgebouw. Door de vertrouwde straten liep ik naar het huis waar ik sinds mijn twaalfde had gewoond, een monumentaal pand in Oud Zuid, waarvan mijn moeder de benedenverdieping huurde. Na haar scheiding wilde mijn moeder weg uit Almere. Ze had geen zin om steeds de nieuwe vriendin van mijn vader tegen te komen in de supermarkt. Dus stopte ze met haar baan als pianolerares aan de muziekschool. In Amsterdam besloot ze les te gaan geven vanuit huis. Dan moest je wel een beetje op stand wonen, vond ze. In het begin kon ze de huur amper betalen, maar toen de leerlingen eenmaal begonnen toe te stromen, waren de geldzorgen snel voorbij. Helaas had ze zich nooit verzekerd tegen arbeidsongeschiktheid.

De hortensia’s naast de voordeur zagen eruit of ze wel een slokje water konden gebruiken. Ik stak mijn sleutel in het slot en stapte naar binnen. Laura kwam me tegemoet, haar vinger tegen haar lippen. Dat betekende dat mijn moeder sliep. We omhelsden elkaar in stilte.

‘Suzanne, wat zie je eruit, ik had je bijna niet herkend,’ fluisterde Laura.

‘Dat is precies de bedoeling.’ Met een glimlach trok ik mijn hoofddoek af en haalde een hand door mijn krullen, alsof het een onschuldige grap was. Ik wilde mijn zus niet onnodig ongerust maken. Zachtjes deed ik de deur van de woonkamer open. Op mijn tenen sloop ik naar mijn moeders bed, dat midden in de kamer stond, vlak naast haar geliefde Steinway. Als ze een goede dag had kwamen er vrienden langs om voor haar te spelen. Nocturnes van Chopin of de Goldbergvariaties van Bach. Zelf had ze de toetsen al in geen weken meer aangeraakt. Ik keek naar haar uitgemergelde gezicht en voelde een brok in mijn keel. Nog een paar maanden, had de dokter gezegd. Dat was in april geweest.

Toen ik terugkwam in de gang was Laura verdwenen. Vanuit de keuken klonken gedempte stemmen. Zodra ik de keukendeur opende zag ik hem, nonchalant leunend tegen het aanrecht. Ik voelde een vertrouwde woede opkomen.

‘Ik denk dat ik jullie beter even alleen kan laten,’ zei Laura toen ze mijn blik zag. Voor ik haar kon tegenhouden was ze de tuin in gelopen.

‘Laura weet van niets,’ zei Thom. ‘Ik heb haar alleen gevraagd mij te waarschuwen als je hier zou opduiken. Je weet toch dat Victor Splilzinsky morgen wordt begraven?’ Hij aarzelde even en keek recht in mijn ogen. ‘Ik heb je hulp nodig Suzanne.’