Hoofdstuk 2

Het gordijn bewoog zachtjes in de lichte bries die door de kamer gleed en voor verkoeling zorgde. Onder een dunne katoenen zomerdeken lag Victor Spilzinsky. Zijn voeten staken door de spijlen van het bed en hadden dezelfde monstrueuze vormen als de rest van zijn lichaam. De hielen waren extreem dik en de tenen leken gemaakt om als hamers een carillon te bespelen.

Het was zeven uur ’s ochtends en Dr. Vellink haalde vermoeid de achterkant van haar ballpoint over Spilzinski’s voetzolen. Met een schok werd hij wakker en keek verward om zich heen.

‘Waar ben ik? Wat doe ik hier?’

‘Rustig maar, meneer Spilzinsky, u bent in het ziekenhuis. U bent vannacht zwaar gewond binnengebracht. We moesten u opereren en zo te zien is het ons aardig gelukt u in leven te houden. Met uw reactievermogen is in ieder geval niets aan de hand.’

Rita Vellink pakte de immense pols en telde de hartslagen. Ze knikte goedkeurend, ondertussen de enorme hand bestuderend. Een duidelijk geval van acromegalie. Zijn ziekte had al veel schade aangericht. Behalve de zichtbare vergroeiingen had hij suikerziekte, een te hoge bloeddruk en de tumor in de hypofyse had waarschijnlijk ook zijn gezichtsvermogen aangetast. Het was de vraag of deze man nog veel groter zou worden. Op achtenveertig plaatsen was het staal in dit lichaam naar binnen gegaan. De meeste wonden hadden ze kunnen hechten, maar helemaal zeker was het niet. Een beschadigde zenuw, een haarscheur in een ader? De man moest veel pijn hebben. Lang kon hij hier niet blijven en wie moest er dan voor hem zorgen? Het ziekenhuis had stad en land afgebeld, maar geen spoor van familie gevonden. Het was toch een rare zaak. Een oude man die zomaar zo beestachtig werd neergestoken. Om welke reden? En waarom had hij geen papieren bij zich gehad? Uiteindelijk had ze Thom gebeld en om raad gevraagd. Hij sliep nog en zei dat het ziekenhuis zelf de politie maar moest bellen. Hij klonk korzelig, had vast weer tot laat gewerkt gisteravond. Vanavond zouden Thom en zij sinds tijden weer eens samen eten. Ze verheugde zich erop, maar ze was moe.

Ze liet de pols van Spilzinsky los en probeerde haar stem monter te laten klinken.

‘Even dachten we dat het met u gedaan was, maar u bent een krachtpatser! Straks komt er iemand met u praten. Kunt u dat aan?”

Victor keek haar aan. Zijn ogen, diep in hun kassen, tastten haar gezicht af, maar vonden geen houvast.

‘Wie?’

‘Iemand van de politie.’

Hij sloot zijn ogen en rolde zijn hoofd langzaam heen en weer op het kussen.

‘De politie, altijd te laat. Alles is nu weg. Weg!’ Zijn stem werd steeds zachter.

‘Wat is weg?’ Rita Vellink legde haar hand zacht op zijn voorhoofd en bracht haar oor dicht bij zijn mond.

‘Het bewijs’, fluisterde Spilzinski. Op dat moment veranderde het ritmische gepiep van de hartbewakingscomputer in één langgerekte toon.

‘Shit!’

Rita Veling drukte op de noodknop en begon met haar vuist op het grote lichaam te slaan. Met haar hele gewicht ramde ze op de grote borstkas.

‘Niet doodgaan, niet doodgaan nu, kom op Spilzinski, daar heb ik niet de hele nacht voor gewerkt.’

Na de tiende slag werd de lange toon onderbroken en kwam het vertrouwde ritme aarzelend weer op gang.?Nat van het zweet liet Rita Vellink uitgeput haar hoofd op het lichaam van Spilzinski vallen. Ze zag zijn borstkas langzaam omhoog komen en in de holle ruimte voelde zijn hartenklop als de verre echo van de hartbewakingsmachine.

‘Goedzo, zo ken ik je weer Spilzinski. Goedzo.’

Ze pakte zijn kaart, maakte een paar aantekeningen en belde om een verpleegster.

‘Deze man mag niet gestoord worden. Hij is nog te zwak. Als de politie eindelijk eens iemand stuurt, zet die dan maar op de gang om hem te bewaken. Doen ze tenminste nog iets voor hun geld. Als ze meer willen weten moeten ze mij maar bellen, maar niet eerder dan na vier uur vanmiddag. Tot die tijd ga ik zelf in coma.’

Ze liep de kamer uit en besloot niet naar huis te gaan, maar hier in het ziekenhuis een bed op te zoeken. Ze was te moe om nu nog in de auto te stappen. Bovendien was ze in de war. De man had niet veel gezegd, maar dat hij ergens bij betrokken was, was wel duidelijk. Ze moest het met Thom bespreken, vanavond.

In één van de kleine kamers in de catacomben van het ziekenhuis vond ze een leeg bed. Ze had niet eens energie om te kijken of het schoon was. Ze gooide haar doktersjas op een stoel, schopte haar schoenen uit, schoof tussen de lakens en viel in slaap.

Op de stoel in de hoek van de kamer, in de zak van haar doktersjas, begon haar telefoon te trillen. Maar Rita Vellink was op dat moment al in een andere wereld.

Voor mijn dochter. Omdat de waarheid alle leugens vernietigt.

Voor de zoveelste keer bekeek ik de sierlijk geschreven letters. Duidelijk het handschrift van een ouder iemand. Het moest wel van de man met de hoed zijn. Van die constatering kon ik mij niet meer losmaken. Ik toetste voor de tweede keer het nummer in dat op het briefje stond en hoopte dat er opnieuw niet zou worden opgenomen, want, wat moest ik zeggen? Welke gevaren zouden er dan weer opdoemen? Mijn afgeschermde telefoonnummer uit het Thom-tijdperk, kwam me nu goed van pas.

Ook dit keer werd de oproep niet beantwoord. Geen voicemail, niets. Ik klapte mijn gsm dicht en stond op van de bank. Nadat Bert de deur achter zich had dichtgetrokken van “het schuiladres voor belangrijke getuigen”, zoals hij dit sober ingerichte appartement noemde, was ik er op neer geploft en alleen af en toe opgestaan om mijn koffiemok te vullen. Ik kon het patroon van de paarse grand foulard die over de bank lag, haast uittekenen.

‘Van de ramen wegblijven’, had Bert mij op het hart gedrukt.

Ik had altijd al moeite gehad met het opvolgen van bevelen en liep naar het grote raam aan de voorkant. Ik hield het briefje in het zonlicht, dat zelfs om acht uur ’s ochtends al behoorlijk fel was, en draaide het om en om. Geen verborgen letters of codes te ontdekken. Twee mooi geschreven zinnen en een 06-nummer zonder naam brachten me op dit moment geen stap verder. Als Thom kwam dan…, ach Thom. Hij vond mijn verhaal blijkbaar niet eens interessant genoeg. Ik had hem ieder uur wel een sms’je gestuurd, al drie keer gebeld en zijn voicemail ingesproken maar hij had niets beantwoord. Belandde ik eens in een situatie die helemaal in zijn straatje paste, kreeg ik nog niet zijn aandacht.

Ik vouwde het papiertje op en stopte het terug in mijn bh. Aan de overkant van het flatgebouw bevond zich een groot, hypermodern kantoorgebouw. Ik keek naar beneden waar de maandagochtendspits al flink op gang was gekomen. Vanaf deze hoogte had ik een mooi uitzicht. Het appartement moest zich op de achtste of negende etage bevinden, schatte ik. De omgeving kwam me niet bekend voor. Hoe lang hadden we in de auto gezeten? Een uur, veertig minuten toch minstens. Ik probeerde me de verkeersborden voor de geest te halen. Ik wist het niet meer. Teveel gedachten hadden mijn hoofd gemarteld.

‘Ik moet er helaas meteen weer vandoor, Suzanne, ik heb nóg een spoedklusje’, had Bert gezegd, amper vijf minuten nadat we binnen waren.

‘Probeer wat uit te rusten’, met die woorden was hij vertrokken.

Het was niet eens tot proberen gekomen. Na het schietincident was ik mijn zenuwen niet meer de baas geworden. Minstens zes koppen koffie en de nodige sigaretten hadden het er niet beter op gemaakt.

En nu? Weggaan was een optie. Automatisch ging mijn blik naar de rugzak die al die tijd onaangeroerd op de bank had gelegen. Misschien zou Thom wel verschijnen zodra ik een voet buiten de deur zette. Waren dit soort verblijfsadressen niet altijd voorzien van afluisterapparatuur? In de auto had ik het hele verhaal aan Bert verteld. Misschien dachten ze nu wel dat ik iets te maken had met deze hele situatie. Het idee dat ik in de gaten werd gehouden via een of andere camera verschafte me een nieuwe bezigheid. Ik speurde de muren en plafonds af of ik iets kon ontdekken. Hoe dat iets er dan uit moest zien, wist ik eigenlijk ook niet.

Ik doorzocht de twee slaapkamers die het appartement rijk was. In de grootste kamer stond een tweepersoonsbed met een bloemetjesdekbed. Het zag er schoon en uitnodigend uit. In de andere kamer stond een stapelbed en een grote klerenkast. Ik maakte ‘m open. Er hingen wat kinderkleren, een kostuum, twee rokken en een paar jassen in. Op de bovenste plank lagen pyjama’s, dekens en kussens. Hoeveel mensen of misschien wel gezinnen zouden er op dit adres ondergedoken hebben gezeten?

Ik deed de deur weer dicht en bekeek mezelf in de spiegelwand van de kast. Mijn gympies en spijkerbroek zaten onder de modder- en mosvegen. Het zwarte t-shirt had de survivaltocht ook niet al te best overleefd. Mijn gezicht was vettig en de weinige make-up die ik gebruikte was uitgeveegd. Ik streek wat haarlokken achter mijn oren. Ik had een hekel aan mijn dik, krullend haar. Het zag er nu woester uit dan ooit. Mijn misdaadescapade had zowel innerlijk als uiterlijk heel wat schade aangericht. Bij het weerzien met Thom moest ik het in ieder geval niet hebben van mijn flatteuze verschijning. Een verfrissende douche leek ineens pure noodzaak.
Mocht Thom nog de moeite nemen om te verschijnen, stonk ik in ieder geval niet naar zweet. Bovendien: “Een heldere geest begint bij een fris lichaam”, zo mijn moeder altijd zei. En ze had het vaak bij het rechte eind.

Een deur in de keuken leidde naar de badkamer. Het eerste wat ik deed was de muren en het plafond inspecteren.

‘Doe niet zo idioot’, sprak ik mezelf toe.

De tegeltjes, de vloer, het sanitair, alles was wit. Het zag er schoon uit, alsof het net gepoetst was. Ik rook aan de badhanddoeken die aan de haakjes hingen. Ook die roken fris. Het vooruitzicht van de warme stralen op mijn huid lonkte. Ik ontdeed me snel van mijn kleren. Op het moment dat ik de deur van de douchecel opentrok en naar binnen stapte hoorde ik een sleutel in het slot.

Een bekende stem riep: ‘Niet schrikken, ik ben het.’

Er kroop een rilling over mijn rug. Maakte mijn lichaam mij nu duidelijk dat het naar het warme water smachtte of reageerde het na al die maanden nog steeds op deze stem? Deze stem die ik zo vaak en op zo veel verschillende manieren gehoord had. Vol liefde, maar meer en meer ook vol boosheid en onbegrip. Onbegrip voor het feit dat ik mij onbegrepen voelde.

‘Thom!’ Bij het horen van mijn eigen, onvaste stem, had ik het antwoord. ‘Wacht even!’. Het laatste waar ik op dat moment behoefte aan had, was dat Thom mij zo aan zou treffen. Naakt en verwilderd en bovendien, of wellicht mede daarom, nerveus van top tot teen. Ik hoorde dat hij dichterbij kwam, maar gelukkig bleef hij voor de deur van de badkamer staan.

‘Suzanne, gaat het een beetje met je?’ In zijn toon meende ik bezorgdheid te horen.

‘Ja, ik stond net op het punt om te gaan douchen. Heb je nog even drie minuten de tijd? Ik beloof heel snel te zijn!’ Ik wachtte zijn antwoord niet af en zette de douche aan. Drie minuten. Voor iemand als ik die rustig een uur onder de douche kon staan, bijna een onmogelijke zaak. De spanning door het simpele feit dat Thom slechts één deur van mij verwijderd was, zorgde er echter voor dat ik razendsnel mijn haar inzeepte met shampoo uit een oranje flesje met een zo te zien Russische tekst, dat ik in het doucherekje vond. Vast achtergelaten door de vorige bewoners van dit schuiladres. Het warme water liep langs mijn lichaam en snel boende ik mijn lijf alsof ik de illusie had de nacht van mij af te kunnen spoelen, zo, hup, het doucheputje door. Ondertussen pijnigden mijn hersens mij opnieuw. Ondanks dat ik de afgelopen uren voldoende tijd gehad had om te bedenken wat ik zou gaan zeggen als ik Thom zou spreken, waren de laatste paar minuten nodig om daadwerkelijk de knoop door te hakken. Ik had vooral geworsteld met het feit of ik Thom zou vertellen over het briefje met de vreemde boodschap. Voor mijn dochter. Omdat de waarheid alle leugens vernietigt. Ik besloot het niet te doen. Nog niet.

Toen ik de woonkamer binnenkwam zat Thom een beetje ineengedoken op de bank, met zijn telefoon in zijn hand. Een grote frons ontsierde zijn gezicht.

‘Hoi.’

Thom keek verschrikt op, waarschijnlijk verrast door het feit dat ik de klus weliswaar niet binnen de geplande drie, maar toch zeker binnen niet meer dan vijf minuten had weten te klaren. Fris als ik was, waren mijn kleren nog altijd een wanorde. Enigszins opgelaten liep ik op hem af. Ik boog me voorover zodat ik hem een zoen op zijn wang kon geven en de korte aanraking van zijn huid maakte me nog onzekerder dan ik al was. Eerlijk gezegd schrok ik een beetje van zijn gezicht. Thoms gezicht had altijd iets dubbels over zich gehad. Aan de ene kant zag je het ruwe mannelijke in hem, aan de andere kant schemerde er een lieve kwajongen in door. Maar de bravoure in zijn ogen was verdwenen. Het gezicht dat ook na al die maanden nog dagelijks in mijn gedachten opdook, straalde niet meer diezelfde levenslust, diezelfde strijdlust uit als voorheen.

Ik verlangde hevig naar een sigaret, maar besloot het genot nog even uit te stellen. Thom had zich altijd geërgerd aan mijn verslaving en voor hem was ik gestopt. In plaats daarvan maakte ik voor ons allebei een kop gloeiend hete koffie. Voor Thom zonder suiker, maar met een beetje melk. Het zat nog in mijn systeem. Het was niet normaal om elkaar na al die tijd op deze plek te zien, dus we sloegen de plichtmatigheden over. In korte zinnen vertelde ik Thom alles wat er gisteravond gebeurd was. Het meeste had hij al van Bert gehoord. Op de vraag van Thom waarom ik in godsnaam de aktetas meegenomen had, had ik geen antwoord. Ik wist het ook echt niet. Ik had vanuit een instinct gehandeld. Weliswaar leek dit instinct mij vooralsnog compleet in de problemen te brengen. Maar tegelijkertijd had ik ook het gevoel dat vanzelf duidelijk zou worden, waarom ik in deze situatie verzeild was geraakt.

Thom had zijn telefoon op de tafel gelegd en tijdens dat ik mijn verhaal deed, kwamen er meerdere berichtjes binnen. Hij gaf er echter geen aandacht aan, dus praatte ik door. Het idiote was dat ik het gevoel had alsof ik over iemand anders aan het vertellen was. Ik eindigde bij dat ik vannacht geen oog dicht had gedaan en me grote zorgen maakte over mijn veiligheid.

‘Hm ja, dat begrijp ik Suzanne. Die kogels die ze op je af hebben gevuurd maken het hele verhaal nog een tandje heftiger.’ Thom klonk serieus.

‘Luister,’ vervolgde hij, ‘ik wil dat je vandaag hier blijft en geen contact hebt met wie dan ook. Doe de deur niet open voor iemand anders dan Bert of mij. Is er iemand die vandaag op je gerekend had?’

Ik dacht even na. Nee, ik had nog een aantal dagen vakantie, dus ze zouden me op mijn werk voorlopig niet missen. Alleen mijn moeder zou zich wellicht afvragen waar ik was. Vanaf het moment dat ze ziek was geworden, belde ik haar elke dag. Maar dat moest dan helaas maar een dagje wachten. Ik beloofde Thom te doen wat hij zei.

‘Er is nog iets, Suzanne.’

Even flitste het door mijn hoofd dat Thom misschien toch nog iets persoonlijks wilde zeggen. Dat hij wilde praten over de lullige manier waarop ik de relatie uiteindelijk had beëindigd. Dat hij wie weet nu toch inzag dat ik geen andere keuze had gehad. Dat hij de sleutel was geweest om onze relatie te redden. Thom ging verder en keek mij daarbij enigszins aarzelend aan.

‘Die oude man die is neergestoken ligt in het ziekenhuis. De arts die hem vannacht gered heeft, Dr. Rita Veling, is mijn vriendin.’

Hij wist meer dan ik. Dat was altijd zo geweest. Een beroepsmatige afwijking noemde ik het. De oude reus leefde dus nog. Het kon me op dat moment niet eens schelen, want voor mijn ogen danste alleen die laatste zin:?Dokter Rita Vellink is mijn vriendin.?De zin begon zachtjes te tikken in mijn hoofd. Langzaam, als een smerig werkend gif, kropen de letters stuk voor stuk mijn bloedvaten in. Ze regen zich aaneen tot woorden en kropen naar elkaar toe totdat ze op elkaar botsten en de zin samengeperst werd tot een aderverstikkende klont. Het tikken werd bonken. Het bonken werd zo erg dat mijn hersenpan leek te barsten.

‘Je vriendin? Je vriendin? Ik ben je vriendin, verdomme!’

Thom reageerde niet. Hij bleef als geslagen voorover zitten op de bank en stond toen moeizaam op.

‘Jij hebt het uitgemaakt, Suzanne.’

Hij stond voor me, een pijnlijke blik in zijn ogen. Ik begon te sissen als een slang. Thom pakte mijn polsen.

‘Dacht je dat ik mijn verdere leven treurend in een hoekje zou blijven zitten wachten tot mijn meisje terug zou komen? Kijk eens goed in de spiegel en zie wat ik zie: een verbitterd oud meisje, een schaduw van haar vroegere schoonheid. Ik was altijd gek op dat meisje, ook al gedroeg ze zich meestal verwend en verveeld.’

Ik probeerde me los te rukken. Ik hief mijn hoofd op en opende mijn mond om terug te schreeuwen. Thom hield mij in een ijzeren greep.

‘Altijd had je kritiek op me, Suzanne. Het liefst had je me zittend op de bank, wachtend tot je klaar was met je ‘dingetjes’. Ik heb mijn lesje geleerd. Ik wil geen meisje meer. Ik heb nu een vrouw, een volwassen vrouw, geen parasiet.’

‘Jij ziet er anders ook verdomd slecht uit.’ Ik spoog hem bijna in zijn gezicht en rukte me los. Ik haatte hem, ik haatte die man die daar zo zelfverzekerd stond te beweren dat hij een ander had, iemand die beter was dan ik. Het was onverdraaglijk. Mijn door de gebeurtenissen van de afgelopen nacht toch al behoorlijk gebarsten zelfvertrouwen scheurde compleet in tweeën. Ik ritste driftig het halflege pakje sigaretten open, plukte er een sigaret uit en stak de kromme peuk in mijn mond.

‘Hou daar mee op. Geen gerook hier!’ Thom graaide de sigaret uit mijn mond propte hem terug in het pakje en verfrommelde alles tot een hoopje vezels. Hij opende het raam en smeet het naar beneden. Ik sprong als een kat op zijn rug, mijn armen rond zijn hals, maar hij gooide me van zich af, draaide zich om en sloeg me. Hard, midden in mijn gezicht. Ik viel op de grond.

‘En nu rustig,’ zei hij. ‘Je gaat nu slapen en je blijft in bed tot je weer normaal bent.’

‘En jij dan?’ mijn woede ging over in een gierende huilbui. Ik schaamde me diep, tranen biggelden over mijn wangen.

‘Welterusten Suzanne. Ik neem het bed. Neem jij de bank maar.’ Hij liep naar de badkamer.

Ik stond op. Ik moest hier weg. Was alles voorbij? Langzaam trok ik, nog nahikkend, de rare pyjama uit. Eerst het jasje. Het gleed langzaam van mijn schouders af op de grond. Ik duwde de broek met twee handen naar beneden, wilde eruit stappen, maar raakte verstrengeld in de pijpen. Terwijl ik naakt voorovergebogen mijn voet probeerde los te maken, hoorde ik een vreemd geluid. Ik kende dat geluid. Het was Thom die zwaar stond te ademen, zacht piepend vanwege de astma die hem nog steeds opbrak bij heftige emoties. Ik keek over mijn schouder en zag wat ik al die tijd toch stilletjes had gehoopt. Hij was nog altijd gek op dat verwende meisje.

Op dat moment besloot ik dat ik hem niet meer het meisje zou laten zien, maar de vrouw die was. Die ik zíjn kon. Ik draaide me helemaal om en posteerde me wijdbeens en rechtop tegenover hem. Met twee handen omvatte ik mijn borsten. Ik zag Thoms mond, de nerveuze tik die hij altijd had als hij opgewonden raakte. Ik groeide in mijn rol. Nu was ik de keizerin, heersend over de gevoelens van een man, mijn man. Ik begon te draaien met mijn heupen en liep op Thom af, legde zijn handen op mijn billen en drukte mijn borst tegen de zijne. Zijn ademhaling werd nog dieper. Hij sloeg zijn armen om mij heen en tilde mij op. Heen en weer bewoog hij, draaiend van links naar rechts alsof hij op het punt stond ons samen het luchtruim in te schieten.

‘Wat heb ik je gemist.’ Bijna schrok ik van het brandende vuur in zijn ogen. Hij droeg me naar de slaapkamer en legde me in bed. Het was heerlijk tussen de koele, frisse lakens. Hij zou nu elk moment naast mij glijden. Ik besloot niet te kijken, gaf hem slechts zicht op mijn naakte rug. Zijn stropdas vloog over het bed. De rits van zijn spijkerbroek kraste open. Geruk aan knoopjes. Ik hoorde verlangen. Ik verlangde ook naar hem, zachter, niet zo wild, maar ineens was het stil. Was hij al gaan liggen? Ik tastte met mijn hand achter mij, maar voelde niets. Ik draaide me op mijn rug en zag Thom staan. Zijn slip nog aan, aarzelend en weer met die pijnlijke blik.

‘Even Suus, ik moet even pissen, ben zo weer bij je.’ Zijn stem klonk gesmoord. Hij kuchte kort.

Ik realiseerde me dat het moment voorbij was. Dat het een steekvlam was geweest die niets meer voorstelde. Daar lag ik, klaar voor mijn oude geliefde, die niet meer zou komen. Ik kroop onder de dekens en ging in elkaar gedoken op mijn zij liggen. Ik was moe, verschrikkelijk moe.

‘Suus?’ Thom stak zijn hoofd om de deur van de kamer. ‘Slaap lekker Suus.?Ik ga ook nog even pitten. Op de bank. Sorry voor daarnet.’

Ik gaf geen antwoord. Hij kon de pest krijgen.

‘Welterusten dan maar’, hoorde ik hem mompelen. Hij liep de kamer uit en deed de deur dicht.

Ik was als verdoofd, maar slapen lukte niet. Toch moet ik ingedommeld zijn, want opeens schrok ik wakker van de telefoon. Ik pakte het ding op en zag hoe laat het was: 14.23 uur. Het was dus al middag. Er flopte een sms binnen. Hij was van ene Rita. Toen pas realiseerde ik me dat het niet mijn telefoon was, maar die van Thom. Ik opende de boodschap en las:?Eerder wakker. Vroeg afspreken? Rezovo? Het Rezovo. Ze werkte in het Rezovo. Daar lag dus de oude man. Ik moest erheen. Ik dacht een paar seconden na en tikte een antwoord:?18.00 uur Rezovo, kan niet eerder. Haar oké volgde onmiddellijk.

In de badkamer raapte ik mijn vuile kleren bij elkaar. Er dwarrelde iets op de grond. Het was het briefje. Weer terug in de kamer trok ik mijn kleren aan en duwde het briefje op de vertrouwde plek. Ik haalde het geld uit de rugzak en stopte het in een stevige plastic zak, die ik vond onder het aanrecht. Vergat ik nog iets? Thoms telefoon. Ik liet de telefoon op de grond vallen en ging erop staan. Er klonk een geluid alsof er een reuzekever verbrijzeld werd. Op dat moment zag ik ook zijn autosleutels liggen.

De oude Citroën DS herkende ik meteen. Onverwacht startte de motor onmiddellijk. Ik draaide de weg op en nam een willekeurige route. Ik wist bij god niet waar ik was, maar al rijdend begon ik delen van het gebied te herkennen. Kennelijk had Bert vannacht flink omgereden, want het was niet ver naar de stad. Binnen een halfuur was ik bij het Rezovo. Waar moest ik zijn? Ik gokte op de afdeling interne geneeskunde en parkeerde de auto op een doktersplaats.

Interne geneeskunde bevond zich op de derde verdieping, maar de lift maakte een omweg naar de kelder. Er stapte een vrouw in, knap, met dik, donker haar, krullerig. Ze droeg een bril, maar het maakte haar niet lelijk. Haar voeten waren in witte gymschoenen gestoken. Was ze een verpleegster? Er bungelde een stethoscoop uit haar zak. Nee, ze was vast een arts. Ze onderdrukte een geeuw en stak mij aan. We moesten allebei lachen.?‘Soms zijn de dagen erg lang’, zei ze en het leek wel alsof ze knikte naar mijn bevuilde t-shirt. Ik knikte vriendelijk terug en liet mijn ogen over haar gestalte gaan.?Op dat moment zag ik haar naam en ik dacht dat ik gek werd. De lift stopte op de derde etage en zonder achterom te kijken stapte ik uit. Mijn hart ging tekeer en mijn gezicht was bloedheet. Aarzelend zocht ik mijn weg. Interne geneeskunde was linksaf, maar zou hij daar wel liggen? De ontmoeting in de lift had me totaal in de war gebracht.

‘Kan ik u misschien helpen?’ Iemand tikte op mijn schouder en ik draaide me om. Zij was het.

Op dat moment besloot ik dat er geen andere mogelijkheid was dan om me er uit te bluffen.?‘Ik zoek mijn oom,’ stamelde ik.

‘Hoe heet uw oom?’

’Het is een reus van een man, uit duizenden te herkennen,’ omzeilde ik haar vraag.

‘Ach, bedoelt u Spilzinski? Victor Spilzinski?’

‘Ja,’ juichte ik bijna. ‘Bij de receptie hoorde ik dat hij vannacht binnen is gebracht. Ik ben al in zoveel ziekenhuizen geweest. Mijn tante is in alle staten, want hij is vannacht niet thuisgekomen. Mijn naam is Eva. Eva Spilzinski.’

‘God zij dank, familie’ Rita snelde me vooruit en wenkte me mee te komen.?Al lopend stelde ze zich voor als dr. Vellink. ‘Uw oom is vannacht neergestoken en halfdood binnengebracht. Ik heb hem geopereerd. Kom maar gauw mee. Hij is erg zwak.’

Ik rende achter haar aan. Ze had mooie benen. Ook dat nog. Ik probeerde me te concentreren op de ware reden van mijn komst naar dit ziekenhuis. Ik moest de oude man spreken. Victor heette hij dus. Victor Spilzinski. Ik moest zorgen dat Rita Vellink er niet bij zou zijn als ik hem onder ogen kwam.

We kwamen bij een kamer. Er stond een agent voor de deur. Dr. Vellink wisselde een paar woorden en de agent opende de deur. Ik aarzelde even om binnen te gaan en Dr. Vellink gaf me een lichte duw.

‘Vijf minuten, daarna moet je hem met rust laten en wil ik je nog graag even spreken.’

Ik ging naar binnen, achter mij sloot de deur met een zachte klik.?Zwaar ademend lag de reus in het voor hem veel te kleine bed. Ik ging bij het voeteneind staan en tikte zacht tegen zijn tenen. Hij opende zijn ogen.

‘Dag Victor,’ zei ik.’ Hoe gaat het met je?’

‘Ken ik u?’ vroeg hij zacht.

Ik liep naar de zijkant van het bed en begon op fluistertoon te ratelen.?‘Ik zat bij u in de trein vannacht. U bent gestoken en verloor uw tas. Die heb ik opgeraapt. Er zat een pistool in uw tas. In het pistool zat een briefje met een tekst en een nummer.’?Ik peuterde het briefje uit mijn bh en liet het hem zien.?’Wat bedoelt u daarmee? Waar is uw dochter en is dat haar nummer?’

Victor was tijdens mijn stroom van vragen rood aangelopen. Hij begon te hijgen en een traan rolde over zijn ingevallen gezicht.?‘Julia,’ fluisterde hij, ‘Julia Spilzinski, mijn dochter, Amersfoort. Zeg haar dat ik van haar hou.’ Hij stopte even om zijn adem te reguleren. ‘Het geld, waar is het geld?’

‘Dat is veilig,’ stelde ik hem gerust.

‘Geef het haar,’ stamelde hij. ‘Stort op nummer Russische bank.’

Op dat moment sperde hij zijn ogen open en viel zijn hoofd op zijn borst. Ik slikte. Hij ademde niet meer. Hij was dood.