Hoofdstuk 1

De eerste keer dat ik hem zag, zat hij schuin tegenover me in de trein. De nacht had het voorbijrazende polderlandschap opgeslokt; de ruit weerspiegelde de felverlichte coupé. Ik bekeek de man in het raam. Hij droeg een lange, donkerblauwe jas; de zware stof leek zijn smalle schouders krom te trekken. Uit de mouwen staken grove, benige handen. De vingers hadden zich op zijn schoot ineen gevouwen, de ene duim streelde zacht over de andere.

Ik liet mijn blik omhoog glijden, via de mosgroene wollen sjaal en de prominente adamsappel naar zijn gezicht. Het eerste wat ik dacht was: dit is het langste gezicht dat ik ooit heb gezien. Het tweede wat ik dacht was: dit gezicht zou een karikatuurtekenaar in een realist doen veranderen.  De kin van de man was enorm, zijn voorhoofd nog veel groter. Immense vlaktes kaal vel, doorkliefd met rimpels. Zijn ogen, neus en mond waren ergens in het midden van zijn gezicht blijven hangen, alsof ze er niet op gerekend hadden dat de rest nog even door zou groeien. In de spiegelende ruit zagen de groeven, bergen en vlaktes van zijn gezicht er extra grimmig uit. De oren van de man waren minstens twee keer zo lang als de mijne, schatte ik. Op zijn hoofd droeg hij een zwarte Trilby, die hij zo nu en dan afnam om een hand over zijn kale hoofd te laten glijden.

Ik dwong mezelf om een andere kant op te kijken, bang dat het vreemde gezicht zich plotseling om zou draaien of mijn blik via het raam zou betrappen. Kijken en bekeken worden: iedereen doet het en iedereen wordt het, maar dat geven we met z’n allen natuurlijk liever niet toe.

Ik keek de coupé rond. Een man in krijtstreeppak, verdiept in de krant van die ochtend. Een te jonge moeder, op schoot een kwijlende kleuter die waarschijnlijk het ongelukje was. Twee grijze koppen, de ene diep verzonken in een sudokupuzzel, de andere ver weg in dromenland. Een student in groenwit gestreepte trui, omgeven door de vertrouwde lucht van alcohol. De beat van de muziek uit zijn mp3-speler was door de halve trein te horen.

Naast me zat een vrouw in grijze kokerrok en bijpassend jasje. Haar huid was blank als slagroom, haar lippen kittig rood gestift. Aan haar oren bungelden grote parels. Haar blonde haar zou waarschijnlijk niet lang meer deze kleur blijven. Zou ze het verven zodra het wit of grijs werd? Ik gokte van wel.

De vrouw staarde met grote ogen naar de grond en neuriede zachte geluidjes, als om zichzelf gerust te stellen. Ik volgde haar blik naar de plakkerige treinvloer; haar hakjes deden mijn gympen er groezelig uitzien. Toen pas viel mijn oog op de bruinleren, half openstaande aktetas aan de voet van de man met het lange gezicht. En precies op het moment dat mijn hersenen begrepen wat mijn ogen zagen, op het moment dat mijn gezicht net zo wit moet zijn geworden als dat van mijn buurvrouw, schraapte de man zijn keel.

Ik begon te beven, zou hij mij aanspreken op wat ik had gezien? Wat zou hij zeggen? Wat kon ik terug zeggen? Zou hij in de aanval gaan en mij uitschelden omdat ik in zijn tas had gezien wat verborgen had moeten blijven? Zou hij mij medeplichtig willen maken en vragen wat ik van zoiets vond? Nog erger, zou hij vragen of ik mee wilde doen?

De man had nog steeds niets tegen mij gezegd en ik werd steeds nerveuzer onder zijn starende ogen. Eerst keek ik strak naar de vloer, nee niet daar waar de aktetas stond, zover mogelijk er vandaan, voorbij het gangpad. Maar het was alsof een onbekend macht mijn ogen dwong zich in de richting van de man tegenover mij te draaien. Ik probeerde met al mijn wilskracht te voorkomen dat ik de man recht in zijn ogen zou kijken. Ik bleef steken op het enorme voorhoofd. Snel wegkijken, oh jee die neus! Misschien zou hij ook dat beledigend vinden. Die kin! Die adamsappel! Nergens was er bij deze man een punt te vinden waar ik naar durfde te kijken. Was hij geboren met deze vormen en wist hij niet beter of leed hij aan acromelagie en moest hij elk verstreken jaar weer opnieuw wennen aan zijn nog grotesker doorgegroeide lichaam?

Kijk uit het raam sufferd, verbreek het contact. Dom genoeg was ik vergeten dat het raam door het late uur als een perfecte spiegel werkte. Ik schrok toen mijn ogen de zijne vonden. Hij keek mij aan met hoog opgetrokken wenkbrauwen. Beschaamd wendde ik mijn hoofd en keek hem rechtstreeks aan, er viel niet meer aan te ontsnappen. Ik wenste dat ik een assertiviteitscursus had gedaan, maar daarvoor was het nu te laat.

‘Juffrouw,’ begon hij ouderwets na een zachte kuch, ‘ik zag…’ zijn lippen bleven bewegen maar de rest van zijn zin werd weggevaagd door het gierende gepiep van de remmen en de electronisch versterkte stem van een jolige conducteur. Uitgebreid galmde door de trein op welke stations we allemaal niet waren aangekomen. De man pakte zijn tas en ontvouwde zich vervolgens met stroperige bewegingen vanuit zijn zitplaats alsof hij een mot was die onwennig uit zijn cocon kruipt. Hij keek mij nog even aan, haalde zijn bottige schouders op en verdween met trage slingerende stappen richting de uitgang. Mijn hart bonste hard in mijn keel en ik merkte dat ik door mijn deodorant was gebroken.? Ook de tienermoeder stond op, de tegenstribbelende kleuter tegen haar zij klemmend. Ze toetste ze iets in op haar gsm en volgde met snelle korte passen de disproportionele man naar de uitgang.

Eenmaal buiten kwam hij precies onder mijn raam tot stilstand, zijn weg versperd door een zestal jongens. ?De langste van hen kwam niet hoger dan de adamsappel van de groeigestoorde man, maar met hun dunne, gespierde lijven en hun aan de zij- en achterkant hoog opgeschoren haar zagen ze er uit alsof je beter geen ruzie met ze kon maken. Ze keken de man zwijgend aan. Hij maakte een gebaar alsof hij verlegen vroeg of hij er door mocht. En ineens… het leek wel op iets uit een film. Het ging allemaal zo snel dat ik pas achteraf kon reconstrueren wat er precies gebeurd was. De kortharige kereltjes vormden een nauwe cirkel die de man aan het zicht van voorbijgangers ontrok.

Vanaf mijn hoge positie op de bovenetage van de trein zag ik in het kille kunstlicht van het station de jonge moeder naar de man wiizen. Ze knikte naar de kleinste van het stel. Deze spuwde daarop de man in zijn gezicht, greep hem bij zijn sjaal, en gaf hem een korte harde stoot in zijn maag. Het intens verkrampte gezicht van de man werd ineens onthuld omdat het meisje met een snelle beweging de vilthoed van zijn hoofd had gegrist. Ze zette de trilby achterstevoren op en plooide de rand rondom omhoog. Een paar jongens die vlak bij haar stonden draaiden zich joelend en lachend naar haar toe, maar de rest had het inmiddels te druk met het slaan en schoppen van hun weerloze slachtoffer. Ik was verbijsterd door dit volkomen onverwachte, uit het niets komende geweld. Maar het enige waar ik op dat moment aan kon denken, was gek genoeg dat het suffe, ouderwetse hoedje er best hip uitzag, zo met de rand omhoog gedragen door het meisje. ?De arme man, die op geen enkele wijze terugvocht, viel half naar voren en probeerde weg te strompelen. De cirkel van geweld gaf hem wat ruimte en bewoog met hem mee tot een meter of tien van de trein vandaan.

En op hetzelfde moment dat ineens bij alle vechters een mes in de hand verscheen, zag ik vlak voor mijn raam de leren aktentas liggen. Alsof ik niet meer bij mezelf hoorde, merkte ik dat mijn lichaam opstond en door het gangpad begon te hollen. Synchroon bewogen de messen in een snel ritme op en neer, alsof het jongensclubje met een gigantisch uitvergrote naaimachine, met meerdere naalden tegelijk, hun logo op de donkerblauwe jas aan het borduren was. ?Mijn lichaam kon zich nog net door de zich al sluitende deuren heen forceren. In een wereld zonder geluid zag ik mijzelf de aktentas oprapen. Moest ik eigenlijk de politie niet bellen? Waar was ik mee bezig? Ik vluchtte een wachtruimte binnen en ging zitten. Overal mensen. Mensen die de ene of de andere kant oprenden en mensen zoals ik, stil kijkend naar het tumult. Niemand lette op mij, ik maakte de tas open.

Niemand zag me de aktetas legen, de inhoud overhevelend in mijn rugzak. Al dat geld. Ik wist het, ik zou moeten blijven tot de politie was gekomen, de aktetas moeten afgeven. Maar eerlijk gezegd was dat absoluut niet wat ik dacht toen ik de stapels biljetten uit de tas in mijn rugzak propte. Eigenlijk dacht ik niks, het zien van zoveel geld had meteen een graaireflex tot gevolg gehad, compleet automatisme. Een klein gedeelte van mijn hersenen registreerde wel de opgedroogde bloedspetters die de hele binnenzijde van de tas bedekten, maar ik kwam pas tot mijn positieven toen ik het pistool tegenkwam dat op de bodem lag. Misschien was het wel gevaarlijk wat ik deed. Maar helemaal doordringen deed die gedachte blijkbaar niet, want ook het pistool ging mee in de rugzak.

De groep jongens was weg toen ik de wachtruimte uitkwam. Verrassend veel mensen vormden een kring rond het nu stille lichaam van de vreemde man. Je zou gedacht hebben dat er midden in de nacht niet veel mensen op straat zouden zijn, maar rampspoed, in wat voor vorm dan ook, trekt altijd veel bekijks. Ik probeerde niet te kijken. Ik schaamde me. In plaats van te helpen had ik de man bestolen, ik had het recht niet om te kijken. En toch…. Mijn ogen dwaalden naar het centrum van de kring, alsof ze een eigen wil hadden.?Zijn gestalte was nu, zo stilliggend en opgerold, nog grotesker dan eerst. Bloed over die enorme kin, de kleine ogen nauwelijks nog zichtbaar in het opgezwollen gezicht. En toch zag ik dat hij naar me keek. Dat hij me zág. Hij was nog niet dood. Het scheelde misschien weinig, maar hij leefde nog. En hij had me gezien. Even werd ik bang. Maar die man zou het toch niet overleven, niemand zou ooit te weten komen wat er met het geld gebeurd was, dacht ik. Schaamte overspoelde me. Een klein stemmetje in mijn hoofd vertelde me dat ik nu nog terug kon, dat ik nu nog de juiste beslissing kon nemen. Toen dacht ik aan mijn moeder, in haar ziekenhuisbed in de woonkamer en aan het gezicht van mijn zus, uitgeput door het zorgen voor mam. Ik dacht aan de boodschappen die ik vandaag voor ze gedaan had, de rekeningen en de huur die ik voor ze betaald had en aan mijn eigen bankrekening, diep in de rode cijfers. Ik drukte het stemmetje met grof geweld weg, dwong mijn ogen weg van de borende blik van de man en liep toen resoluut naar de uitgang van het station. Daar dumpte ik de aktetas in een vuilnisbak.

De weg naar mijn appartementje was kort en donker. Er was al vaak over geklaagd door de buurt, het was té donker en mensen voelden zich onveilig. Ik had daar nooit last van gehad. Nu liep ik snel naar huis, oren gespitst voor elk geluidje en af en toe schichtige blikken om me heen werpend. Ik kon me niet aan het gevoel onttrekken dat ik gevolgd werd. Zeker twee keer meende ik vlugge passen achter me te horen, maar toen ik stilstond om achter me te kijken hoorde ik niks meer en achter me was niks te zien. De rugzak woog als lood. Het laatste stuk rende ik bijna.?Eenmaal in het trappenhuis verliet een zucht van verlichting mijn lippen. Wie er ook achter me had gelopen, áls er al iemand achter me had gelopen, die kon me nu niet meer zien. Toch deed ik niet meteen het licht aan toen ik mijn woonkamer binnenkwam. Ik liep meteen door naar het raam, de rugzak nog steeds op mijn rug, en gluurde door de half openstaande lamellen. Op de straathoek, achter de gezamenlijke container, stond een gestalte. Een klein figuurtje met een hip uitziend hoedje en een telefoon aan haar oor.

Vanachter het kozijn van hardhout keek ik met mijn arm tegen de muur gedrukt op haar neer. De bleke lichtkring van een straatlantaarn raakte juist haar voeten, waardoor ze grotendeels als silhouet daar stond. Ik blies mijn wangen vol met lucht. Het was nacht. Het was donker. Een vrouw alleen op straat op dit uur was niet gebruikelijk, maar geen reden om meteen onrustig van te worden. Zelf was ik eveneens vanaf het station in mijn eentje door de binnenstad naar huis gelopen. Gerend, in feite. Maar ik was wel degelijk onrustig. Gegeseld door een zwerm aan benauwende gedachten liep ik koortsachtig door de keuken van mijn appartement. De tegelvloer plakte onder mijn schoenen. De koelkast rammelde. Ik plaatste de rugzak tegen een tafelpoot waar hij als een vormeloze zak half open viel. Ooit had ik het ding gekocht om ongedwongen rond te trekken, maar er waren honderd zaken tussendoor gekomen, en nu lag hij hier vol met geld en spetters bloed en een pistool. ?Geld. Bloed. Een pistool. Met mijn wijsvinger draaide ik gespannen krulletjes in mijn haren. Wat in godsnaam had me bezield om die man voor dood daar achter te laten? Om in de schaduw van de messen die door zijn vlees heen staken zijn tas te grissen. Niet om te kijken. Wat, verdomme? Ik had hem kunnen helpen. Weg kunnen halen, en aanspreken, ik had op zijn minst een ambulance kunnen bellen, maar in plaats daarvan was ik met zijn bezittingen ervandoor gehold. Ik voelde hoe mijn maag zich samentrok en met moeite kon ik slechts geloven dat dit allemaal daadwerkelijk had plaatsgevonden.

Plukkend aan mijn onderlip liep ik naar de boekenkast die in de woonkamer tegen een muur met bobbelig, okergeel behang stond. Tussen planken vol plastic bakjes stonden boeken over bonsaibomen. Over schilderen met olieverf. Een stuk of vijftien thrillers. Er was een fotolijstje omgevallen waar ooit ingekaderd de afbeelding van mijn vriend ingezeten had, vastgeplakt met lijm alsof ik toen al wist dat hij anders uit het zicht zou glijden. Nu was het leeg. Met vlokken stof erop. Een jaar of meer woonde ik al zonder Thom. Ik had er zelf voor gekozen, toen, omdat ik op den duur niet meer met zijn gedwongen aandacht voor de dood kon leven. De moorden. De onderkant van de samenleving. De brokkelige stukken van verval. Tot voor enkele uren was die leegte in het huis iedere dag iets beter gaan bevallen, maar nu had alles in mijn bestaan zich in één verwilderde klap terug omgedraaid. Was alles zeven zetten achteruit gedonderd. In een schaaltje naast het lijstje lag zijn privénummer. Ik kende het nog altijd uit mijn hoofd. Eronder het nummer van het juridisch onderzoeksbureau waar hij zijn werk had. Kon ik hem na al die tijd nu zomaar aanklampen? Ik legde mijn hand erop, trok hem weer terug. Later, besloot ik.

Ik bukte me om onderin de kast een gevlochten mand opzij te schuiven. Sigaretten! Ik was gestopt, maar wist zeker dat ergens in de rommel verstopt nog een aangebroken pakje moest liggen. En dat had ik meer dan hard nu nodig! Ik had gelijk.

Terwijl ik driftig inhalerend mijn lichaam losweekte van de kast, keek ik opnieuw naar buiten. Achter de lamellen trok de hemel zwarte vlakken rond de stadscontouren. Het was stil op straat. De vrouw die even daarvoor nog op de straathoek aan de overkant gestaan had, was verdwenen. Opgehaald door iemand, vermoedde ik, en ik ademde diep in en uit.

Met mijn sigaret tussen de vingers van mijn linkerhand begaf ik me terug naar de keuken, knielde neer bij de rugzak en schoof met mijn andere hand door de pakken geld. Het was veel. Heel veel. Onderin lag het pistool, dat ik nu met blote handen uit de tas vandaan haalde. Mijn vingerafdrukken stonden er al op, zo redeneerde ik, en voorzichtig liet ik het ronddraaien in mijn hand, keek ernaar. Een pistool. In mijn blote hand. Het was alsof ik in een luchtbel stond. Alsof de wereld niet meer echt de wereld was waarin ik werkelijk kon ademen. Een pistool met geld en bloed!?Aders bonkten bij mijn slapen. Mijn benen beefden. Ik klopte tegen de onderzijde van het wapen en schoof tot mijn eigen schrik de patroonhouder eruit. Televisie kon je alles leren, flitste het door mijn hoofd. Het leerde je zomaar magazijnen van pistolen open te maken.

Ik rolde het ding door de palm van mijn hand. Er zaten geen patronen in. De houder was leeg. Leeg! Waren alle kogels afgevuurd? Koelbloedig door de man met het angstaanjagende gezicht op iemand losgelaten? Of had er nooit iets ingezeten? Was het wapen in mijn hand nooit in gebruik geweest? Ik hield het pistool nu omhoog en tuurde in de duisternis van de holle handgreep. Binnenin het magazijn blonk iets. Aan de zijkant. Het drong pas tot me door toen het schemerlicht van buitenaf er even overheen gleed. Tegen de rand, aan de binnenkant van het magazijn geplakt, zat een glanzend stuk papier. Een foto? Een biljet? Had het iets te maken met de berg ellende die hier voor me lag? Trillend duwde ik een vinger naar binnen en trok het stuk papier eruit.?Op datzelfde moment hoorde ik geschuifel bij de buitendeur.

Ik had het licht in de keuken uit moeten laten. Ze was natuurlijk achterom gelopen en nu wisten ze waar ik woonde. Dat geld, daar was het ze dus wel om te doen. Het was geen willekeurige doodslag, niet zomaar zinloos geweld. Wat had die man gedaan, waardoor ze hem zo gruwelijk te pakken hebben genomen? Was dat geld van hen, of vonden ze dat het van hen was nadat ze het gestolen hadden?

Deze gedachten flitsten razendsnel door mijn hoofd terwijl mijn hart steeds harder en hoger in mijn keel begon te bonken. Ik deed het licht uit en stopte het papiertje in mijn broekzak, zonder het open te vouwen of te lezen. En het magazijn ging terug in het pistool. Dan leek het tenminste geladen. Was de deur op slot…? Ja. Alle sloten had ik gedaan, automatisme gelukkig. Er stond iemand voor de deur, zonder twijfel. Heel zachtjes gingen voetstappen schuifelend heen en weer, ik zag het licht van het trappenhuis door de voeten onderbroken worden, onder het kiertje door.

Welk gevaar liep ik? Zou hij of zij weg gaan of zou iemand mijn huis binnen dringen? Snel ging ik mijn mogelijke uitvluchten na. Twee hoog was te doen, om te springen. Het was juli en de bosjes waren vol met zacht groen blad. Ik kon ook via het balkon naar de buurvrouw gaan. Maar dat arme oude mens lag al uren te slapen en ik zou haar een hartverzakking bezorgen. Ik woonde op de hoek en verder kon ik klauterend niet komen.

Ineens dacht ik weer aan Thom. Inmiddels was het nu echt diep in de nacht en veel te laat om zomaar te bellen. Maar dit was niet zomaar en Thom was op dit moment waarschijnlijk de enige in de wereld die mij zou geloven en die mij zou willen helpen, nu meteen. Met trillende handen toetste ik zijn 06-nummer in, ondertussen kijkend naar de kier onder de deur. Door mijn zenuwen had ik blijkbaar verkeerd gedrukt want er werd opgenomen door een heel pissig klinkende man die ik niet kende. Zonder te antwoorden hing ik op. Ik kon niet praten! Ik moest muisstil zijn. Goddank had ik Thom niet bereikt. Ik ging hem nu sms’en. Wat was een korte, duidelijke tekst die er geen doekjes om wond en hem direct de ernst van de situatie zou laten inzien? Nadenken. Dit was zijn leven, zijn beroep, zijn passie. Jee het was zo lang geleden maar ik sprak zijn taal toch nog wel?

Mijn zenuwachtige gedachtegang werd onderbroken door zacht gemorrel aan de deur. Oh nee, alsjeblieft niet, niet inbreken! Ik kon de politie niet bellen, die kwamen of te laat of ik kon mijn tas met pistool en bloedgeld gaan uitleggen. Ik moest hier weg, ik kon hier niet blijven. Zachtjes pakte ik mijn telefoon, Thoms kaartje voor het geval ik door de zenuwen het nummer weer fout zou doen en de tas met geld en pistool. Muisstil opende ik de keukendeur naar het balkon, sloot hem weer en deed hem op slot. Hoe meer vertraging ik kon bewerkstelligen voor degene die klaarblijkelijk achter mij aan zat hoe beter.

Alles wat ik ooit van Thom had gehoord en in spannende films had gezien verwerkte mijn brein tot een handleiding. Eerst de tas naar beneden gooien. Telefoon bij me houden. Springen. En daarna even blijven liggen, zonder bewegen. De omgeving moest een nieuwe rust vinden en ik moest verifiëren of niemand zich bewust was van mij. Ik landde diep in de donkere bosjes en het deed zeer. Een gruwelijke steek in mijn pols. Gelukkig stond de lantaarnpaal om de hoek, het was hier stikdonker. Terwijl ik even zo lag hoorde ik een doffe klap vanuit mijn appartement. Voor ik kon opmaken wat dat was zag ik het keukenlicht aan gaan. Ze waren binnen. Ik was net op tijd geweest. Terwijl ik daar muisstil lag, zag ik een schaduw voor het raam. En toen ging de keukendeur open, hoe kon dat nu. Och, de reservesleutel hing naast de deur, stom.

Ik probeerde mijn ademhaling rustig te krijgen want voor mijn gevoel maakte mijn van buiten roerloze lijf van binnenuit vreselijk veel lawaai. Dacht ik eerder al dat het adrenalinepeil in mijn bloed het grootste hoogtepunt ooit had bereikt, nu merkte ik dat het nog veel hoger kon. Van binnen werd er geschreeuwd, gerend, naar adem gesnakt en wild heen en weer gedacht. Ik lag diep onder de dik bebladerde bosjes en een gestalde boog zich over de reling van het balkon. Ik ben er geweest, wegrennen. Nee! Liggen blijven.

Terwijl ik dat besloot herinnerde ik mij ineens een van Thoms verhalen. Een van de meest opzienbarende uit zijn carrière tijdens onze relatie. Het was begonnen in Arnhem en geëindigd in Berlijn. Een jonge Nederlandse zakenvrouw was tot in haar appartement in Berlijn achtervolgd omdat zij per ongeluk het verkeerde koffertje had meegenomen uit de trein. De man naast haar had een identiek exemplaar gehad. Ze wist het zelf niet eens, totdat ze het thuis gekomen openmaakte. De eigenaar van de koffer bleek een huurmoordenaar, bezig aan een opdracht. Zij kwam er tussendoor. Het was een immens grote overwinning voor Thom en zijn team geweest om deze zaak op te lossen. Ik wist wat ik nu moest sms’en. Ondertussen liep de gestalte weer mijn huis in, de balkondeur ging dicht en het licht ging uit. Nog even wachten, tien tellen. Ik pakte mijn telefoon en sms’te aan Thom: HELP MIJ NU. DENK AAN BERLIJN, 2004. IK BEN IN DE BOSJES ONDER MIJN BALKON.

Als een commando soldaat tijgerde ik met de tas naar de muur van mijn flatgebouw en kroop ik in de luwte tussen een muurtje en een boom. Wachten. Toen ik mijn telefoon terug stopte voelde ik het papiertje uit het pistool in mijn broekzak.

Ik peuterde het eruit en vouwde het open. Het was zo aardedonker in mijn schuilhoek dat ik niet kon zien wat erop stond. Het licht van de aansteker, die ik in mijn jaszak gestoken had, durfde ik niet te gebruiken.Het had eigenlijk ook geen zin. Ik moest hier eerst levend uit zien te komen.

Ik vouwde het papier weer dubbel en stopte het tussen mijn borsten. Onzichtbaar en veilig zat het daar gevangen. Thom was altijd erg trots geweest op ‘zijn’ borsten. Ik niet. Mijn esthetische voorkeur lag bij superslanke vrouwen met kleine borsten. Daarom droeg ik mijn leven lang al wijde truien, zodat mijn ‘zwaargewichten’ niet teveel opvielen. Ik had vaak pijn in mijn rug en regelmatig had ik op mijn computer gezocht naar adressen van plastisch chirurgen. Ik dacht aan alle borstvormen die ik regelmatig opgekrabbeld had, voor het geval ik een afspraak zou maken en de chirurg mij ernaar zou vragen. Wat een idiote gedachten op dit moment.

Ik had trek in een sigaret en tegelijk vervloekte ik mezelf. Dat ik zo stom was geweest er weer aan te beginnen. Afijn, het kon nu toch niet. De rook zou me meteen verraden. Daar zat ik nou, ineengerold tegen de vochtige muur van een flatgebouw. Hunkerend naar nicotine en teer, peinzend over mijn tekortkomingen. Ik schaamde me. Zelfs als ik het zou redden om aan mijn achtervolgers te ontkomen, hoe zou ik ooit mijn moeder nog onder ogen durven komen? En hoe had ik gedacht haar te kunnen helpen zonder iets over dit alles te vertellen? Leugen op leugen stapelen?

Ik zuchtte diep. Het was wel erg stil hier. Zouden de achtervolgers het opgegeven hebben? Ik durfde niet op te staan. Stel je voor dat ook zij zaten te wachten, opgerold in een andere hoek van de tuin rond de flat. Ooit zou ik uit mijn schuilplaats moeten komen en dan… Op mijn netvlies doemde het beeld op van aan hun halsband vastzittende schuimbekkende vechthonden, klaar om elk moment aan te vallen, maar al gauw verdween dat beeld en werd het een konijn, opgejaagd door windhonden.

Ik troostte mij met de gedachte dat ik Thom misschien weer zou zien. Trouwe, dappere Thom. Hoe lang waren we nu uit elkaar? Een jaar en zes maanden, precies twee dagen voor Kerstmis. Altijd als de feestdagen eraan kwamen en ik me verheugde op alle feestelijkheden samen, had Thom het weer te druk. Alsof rond die tijd de dieven en moordenaars ook extra werk aannamen. Ik stelde me mannen voor in het zwart, met bivakmutsen op, die hun vriendinnen diamanten kettingen omhingen. Die hadden ook geen tijd op de feestdagen.

De gedachte maakte me vrolijk en ik ontspande. Ik dommelde weg. Af en toe werd ik wakker van het licht van voorbijrijdende auto’s, maar ze stopten nooit. Net toen ik weer bijna in slaap gevallen was voelde ik mijn telefoon trillen. Het was een sms van Thom.

-Waar zit je nu precies?-

-Op de hoek van Plantus en Linde-

Mijn vingers trilden zo erg dat ik bijna een verkeerde knop indrukte. Thoms antwoord kwam meteen.

-Heb nog even geduld / half uur / probeer zo dicht mogelijk bij de plantusweg te komen / vriend met rode taxi mercedes / gaat langzaam rijden / klim er in!’

-Oke-

Ik keek op mijn horloge. Het was half drie. Waarom kon hij niet zelf komen? Typisch. Ik voelde de vertrouwde woede opborrelen, maar drukte hem weg. Dat kon ik nu niet gebruiken. Ik moest helder blijven en bedenken hoe en op welk moment ik naar de rand van de bosjes zou kunnen komen. Het was niet ver, maar ik zou geluid maken. Ik besloot te gokken op de voorbijrijdende auto’s. Die maakten net genoeg geluid om mijn gekruip te overstemmen.

Het leek wel uren te duren voor er weer één langskwam, maar op een gegeven moment, na drie auto’s en een knetterende brommer was ik aan de rand. Het was nu tien voor drie. Nog tien minuten zou ik hier moeten liggen. Ik rolde voorzichtig van mijn buik op mijn rug en keek ondersteund door de rugzak naar mijn flat. Achter mijn keukenraam was een schaduw. Ze waren daar dus nog steeds!

Op dat moment hoorde ik het zachte gepruttel van een langzaam naderende diesel. Ik draaide terug op mijn buik. Het was de rode taxi. Tussen het bosje en de plantusweg was een grasveldje van een meter of vijf. Ik stak mijn hand met de aansteker naar voren en ontstak hem drie maal kort. De taxi knipperde even met zijn licht. Hij had het gezien. Ik ging op mijn hurken zitten, haalde diep adem en rende gebogen het grasveld over.

Achter me hoorde ik de deur van mijn keuken opengaan en op het moment dat ik de taxi insprong, hoorde ik een dof geluid. Tweemaal. De rugzak schokte licht, alsof ik een klein duwtje in mijn rug kreeg. Ik weet het aan mijn sprong en het na-ijlende gewicht van de rugzak.

‘Zo dame, da’s niet mis. Wegwezen hier!’ De taxi trok razendsnel op en scheurde weg. Achter het stuur van de auto zat Bert. Ouwe trouwe Bert, al jarenlang Thoms trouwe hulp bij ongelukken. Ik lag voorover op de achterbank te worstelen met de rugzak, hijgend.

‘Wat was dat nou?’

‘Schoten, met een demper erop. Ze waren dus heel wat van plan. Maar zo te zien ben je niet geraakt. Aan de dood ontsnapt! Ben je toch nog in het circuit komen wonen. Welkom Suzanne.’

Bert begon te grinniken. Ik voelde een huilbui opkomen.